Black Venus (Dutch), by Robert Groslot
Deze compositie, geschreven in augustus '93 en '94, is gebaseerd op de beruchte en bekroonde roman "Gangreen 1 Black Venus" van Jef Geeraerts.
Deze roman werd geschreven in '66-'67 en werd in oktober '69 bekroond met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor het verhalend proza. In december '69 wordt het boek inbeslaggenomen te Brussel door de rechterlijke overheid. Voor de eerste maal in de Belgische parlementaire geschiedenis worden de ministers van Cultuur en Justitie in Kamer en Senaat geïnterpelleerd betreffende een literair werk.
Het werd reeds vertaald in 10 talen, en beleefde verleden jaar zijn 20e Nederlandstalige editie.
De muziek beschrijft hoofdzakelijk de gevoelens en de impressies van het hoofdpersonage - in het boek een ik-figuur. Slechts op enkele plaatsen (zoals bv. in het begin) weerspiegelt ze rechtstreeks de omringende wereld.
Dit hoofdpersonage beleeft twee ontvoogdingsconflicten, één in zichzelf en één in het land - het toenmalige Belgisch Kongo - waar hij verblijft en deel uit maakt van de koloniale bezettingsmacht.
Zijn zelfbevrijdingsproces wordt in grote mate op gang gebracht door het contact met de ongerepte natuur en cultuur van zwart-Afrika. De ontmoeting met de natuurmens maakt hem bewust van zijn eigen klein-burgerlijke opvoeding, van de hypocrisie van kerk en staat, van de heersende verstikkende moraal, van de onmacht van de intellectuele Europeaan om in het NU te leven.
De twee gevechten leiden tot uitbarstingen van vitaliteit, woede en geweld.
Jef Geeraerts beschrijft dit alles in een meesterlijke taal, een woordenstroom, lava, zoals hij het zelf noemt.
De compositie volgt in grote lijnen de structuur van het boek en doorloopt zonder onderbreking een aantal hoofdstukken:
- Bodede-moke
- Mbala
- De bruiloft
- De terugkeer naar België en de dood van Mbala
- Het feestje bij Pinto
- 'La grande virée
- De Oebangi
- 'Het Dorp van de Dorst'
- De opstand
- Het vertrek
Het werk bevat slechts drie muzikale thema's die bovendien sterk verwant zijn, zelfs afgeleid van mekaar.
- Het eerste thema (begin) is bijna volledig pentatonisch en stelt de natuurmens (Black Venus) voor.
- Een tweede thema begint met een permutatie van de eerste drie noten van (1) en symboliseert de Westerse intellectueel.
- Het derde thema, ook gebouwd op de eerste drie noten van (1), symboliseert 'la grande fête', maar in een variant ook revolte, verwarring en ontreddering.
Een vierde thema stelt het koloniale België voor, met alle negatieve connotaties die in het boek voorkomen, zoals o.m. de katholieke kerk. Het wordt gespeeld op het orgel...
"Black Venus" werd geschreven in opdracht van het Festival van Vlaanderen, Kortrijk.
De instrumentatie omvat 2 fluiten (ook 2 piccolo's), 1 blokfluit, 2 hobo's, 2 klarinetten/ basklarinet, 2 fagotten, 2 hoorns, 2 trompetten, 1 trombone, 1 tuba, pauken en slagwerk, piano, harp, 2 synthesisers, en snaren.
Introductie (Dutch), by Marcel Van Jole
“Een kunstwerk is geen doek, geen tekening of sculptuur, maar wel de concrete uitbeelding van een innerlijke kracht die explodeert in een wereld die tot dan toe nog onbekend gebleven was.”
Wat de visuele kunst betreft, is Robert Groslot een absoluut autodidact wiens oeuvre aanspreekt door zijn directheid, zijn fantasie, zijn kleurenrijkdom, zijn zin voor het bovennatuurlijke.
Gepassioneerd, enthousiast en onstuimig ontrukt hij zijn beelden aan de computer; hij laat ze zingen, trillen, weerklinken in een meeslepende vreugde. In den beginne liet hij de teugels van zijn gevoelens en kennis volledig los. Dan kwam een moment van bezinning, bouwde hij een aantal inhoudelijke filters in, controleerde hij zijn beeldende emotie. Zijn kleurgebruik bereikt een symbiose met de motieven die in een fantastische, magische droomwereld als verzonken liggen. Spel en fictie, vlucht uit de werkelijkheid, het verlangen om met de finesses van zijn technologische-elektronische kennis te experimenteren. Robert Groslot wil ook gelijktijdig en toeschouwer en auteur zijn.
Robert Groslot is een leergierige, nieuwsgierige, vurige en gretige getuige van zijn tijd. De fotokunst die hij eveneens door zelfstudie benadert, wordt zeer vlug het middel om zijn oneirisch universum in beeld te brengen. Hij creëert met collages net zoals Man Ray, Marcel S. Lefranc, Raoul Ubac, Edward L.T. Mesens, René Magritte dat deden, hij manipuleert met de compliciteit van zijn vertrouwde computer.
Hij verwerpt alle dogmatismen, is tegen het conformisme in de kunst. Ik meen overigens dat hij huiverig staat tegenover ideologieën, die kankers van onze gedachten. Hij is een epigoon van Baudelaire waar die zegt: “De vrijheid van de mens bestaat er ook in dat hij zichzelf kan tegenspreken.”
Robert Groslots geestdrift, zijn sensibiliteit sijpelen ook door in zijn digitale tableaus, zijn eclecticisme, zijn interesse voor alles wat ‘des Menschen ist’, maken van hem een Pico della Mirandola, een universeel mens, een ‘honnête homme’, een humanist in de traditie van de Italiaanse Renaissance. Zijn ideeën over kunst komen, in het interview dat volgt, duidelijk naar voren.
Zonder enige ideologische of politieke leiding, slaagt hij erin een kruisbestuiving tussen muziek en visuele kunst op het spoor te plaatsen: als hij componeert, staan de beelden op de achtergrond, als hij beeldend werkt, begeleidt de muziek zijn creaties. Invloeden zo verschillend, maar die toch bevruchtend werken voor de globale organische concreetheid van het individu.
Hoe meer talenten je bezit, hoe rijker je bent, maar met die diversiteit moet je kunnen omgaan, zodat je noch de anderen, noch jezelf verraadt. Robert Groslot kan dat.
Hij ervaart, in zijn voortdurende confrontatie met de technologie, een vorm van Leonardo-achtige, artiest-wetenschapper situatie, een nieuwe wedergeboorte.
Robert Groslot slaagt erin innerlijke rijkdom, stoelend op een rationele orde, zelfs de vezel van alle fantasmen te evoceren. Hoogspanning, organische architectuur, bewegingen van het menselijk lichaam, ontspruiten uit zijn brein of is het uit zijn computer? Grafische, globale evocatie van zuivere poëzie.
Speech Vernissage Berlin, by Robert Groslot
What is the meaning of art and the artist in this world?
Do we artists still have a real function in this society or do we embroider on a tradition which often simply has to be understood as commerce.
To answer this question I first would like to try to point out what art at all is capable of. This ancient question, whether art can in fact express something, has not yet been solved definitively.
Though this matter may sound very theoretical to you, it is worth while to think about it for some time. Certainly in the light of my plea.
This matter seems to be the least theoretical in music. Strawinsky's theorem that music only expresses itself seems to be the easiest to comprehend. It gets harder when one considers the plastic arts: it is difficult for non-artists to understand that the emotions which the figures and landscapes provoke in him, are not the essence of the painting he admires. Yet various painters - even the non-abstract ones - have claimed this. Some autors even claim that literature only expresses itself! For the majority of the public this is at the least incomprehensible or even mere nonsense. For them, art can express emotions and ideas.
I personally believe that Strawinsky’s theorem is the most correct. In other words: art expresses only itself and the potential capacity of expression is in fact no more than an illusion, a mechanism which frequently uses associations. One might ask oneself immediately of course whether this illusion - if it is indeed as strong and can work as powerful as it apparently can- whether this illusion does not in fact belong to the work of art and whether this mechanism of associations is not a integral part of the artistic phenomenon.
Before I try to answer this rather tense matter, I would like to make the following exercise: suppose that music is indeed capable of expressing something extra-musical, what does it express then, which categories of emotions, experiences, ideas are being revealed and how is man's attitude towards this expression evoluated in history ?
From antiquity man has used music and other arts for religious ceremonies and rites. Every religion in this world used and uses this magical aspect of the power of music, even if it was just through a monody or a beating of the gong.
A second characteristic of music is its sensual power from demonic stirring up to festive dancing.
A third characteristic is its evoking capacity: this was used to support theatre and to intensify its working. Emperors, kings and basically all ruling classes have used this aspect to give their appearances more radiance and 'grandeur'. Throughout this story the artist remains anonymous. He is a craftsman as a furniture maker or a bricklayer.
This situation remains quasi unaltered until the end of the Middle Ages, the beginning of Renaissance. Than in music polyphony appears, which is by the way an entirely exclusive European phenomenon.
Unasked, music grows more complex, the artist less anonymous.
The different functions of music remain virtually untouched, but the composers have discoverd the abstract dimensions of music. The 'l'art pour l'art' has started. Composers are still working under assignment of nobility and clergy but some already obtain an international status which rules out the fame of their employers. It is the beginning of a separate status for the artist.
In the seventeenth and eighteenth century music gets even more complex, not due to its function in society, but due to itself and the ambitions of the composer The growth of this ambition results in independent artists, no longer attached to a duke or a bishop. It is not a coincidence that this co-appears with the French Revolution and the beginning of Romanticism. From this moment on, the artist demands a central place, he puts himself first next to God -like Beethoven- then even replaces him - like Wagner. The utterance of art becomes religion, the concert hall a sanctuary. The romantic composer finds it obvious that music can express a story and emotions and even a philosophy.
This attitude endures in the twentieth century in spite of intense reactions against late Romanticism by Expressionism and Impressionism. Individualism is ever increasing. The ugly, the morbid, the nihilism and the political engagement are introduced, the language of art gets extremely complex until it reaches an incomprehensible coded status. The public is ignored and considered to be willing to watch and listen in marvel.
This attitude still exists in a part of the world of arts, but is largely rejected by youth and non-Europeans. These young people are not wrong or undeveloped because they don't want to go to a classical concert. In a certain sense they are just non-believers…
Why am I telling you all this?
In my opinion art is a language. Language is a coding of a message, of a statement. language is also communication and thus implies the existence of different individuals. Individuals who can reform this coded message into a thought or an emotion.
Complex coding, complex languages are indeed capable of expressing more than the simple ones, but unnecessary complex coding is mostly incomprehensible and misses it purpose or hides a poor contents or even the absence of one…
I am convinced that a language should not be more complex than is needed to form its contents. I am also convinced that these contents have to be meaningful or 'meaning-giving'.
What do I mean with the words meaningful or 'meaning-giving':
Meaningful statements are expressions which can be justified on a rational basis. You can interpret this definition very broad or narrow. What would we tell if we were to send a message to an extraterrestrial civilisation? The only possibility we have, is to formulate a few mathematical theorems.
A broader definition can of course generate more 'true statements', for instance physical statements.
‘Meaning-giving’ statements are quite different. They are impulses - not necessarily formulated in spoken language - which - sometimes for a short while - give sense, direction to our life experience. Music, for instance, is a very powerful ‘meaning-giver'. (This is of course the reason why music is massively consumed by the whole planet.)
Strawinsky formulated this very clearly by stating he recognised a new musical idea “because it gives a sense to my ear”! With these words!
‘Meaning-giving’ statements thus enclose a enormous spectrum of human activities. From collecting stamps to fishing, sporting, playing chess, making love, listening to or performing a symphony, painting; reading, etc. All of them small and less small experiences which give meaning to our neuter-grey existence. Experiences which therefore suggest a guideline in a world without direction.
Once man has invented the Great ‘Meaning-Giver’ to make his existence bearable and understandable. It is therefore logical that a 'sense-giving' experience -art for example - can strongly be related to a religious experience.
We can however not consider art as a religion.
In the nineteenth century the artist has taken up the position of the Great ‘Meaning-Giver’, which has only lead to extreme and senseless individualism. Works of art which mainly contain nihilistic or negative ideas are absurd. It serves for nothing to stain the dignity of man and our existence. This extreme forms of art are in fact still romantic, in the sense that the artist puts himself and his ideas in a central position and that he demands an unconditional respect - silence for instance - of his spectator.
I plead for more humility, not for the return to the artist-status of the Middle Ages and earlier, but for the developement of a more positive attitude which results in artefacts that work ‘meaning-giving’ to whomever who might be interested.
The artist may and even must be self-assured, but he can not use his medium in a religious or romantic manner. On the contrary, he must participate in the disposing of the religions of this world.
Art can take a central place in the life of an individual, as it does in mine for instance, but art can not, or not any more, take a central place in the evolution of this society. This place is, or should be taken by science.
It is from this angle that I compose music and am now also make tableau's. I try to create ‘meanin-giving’ statements in a comprehensible language. I avoid everything which inclines to the mystic, esoteric, and I use female nudity as a symbol of freedom, as a use of freeing ourselves from the organised religions.
Rainfall on Pink City (Dutch), by Robert Groslot
Rainfall on Pink City werd geschreven in de herfst van 1979. Ik droomde - dit beeld heeft mij lang achtervolgd - van een door De Bom verschroeide stad waarover de fall-out zichtbaar, als een zachte regen, neerviel. De jazzy beebop-stijl van de hoofdbeweging leek mij geschikt om het zorgeloze Westen te symboliseren.
Deze typische koude-oorlog-gedachte behoort nu gelukkig tot een ver verleden – alhoewel…
Omdat Pink City mijn eerste orkestwerk was, drong een grondige herziening van de orkestratie zich op. Dit gebeurde in 1993 en in 1998. Ik veranderde toen ook het chaotische slotkoraal van de eerste versie in een meer logische conclusie van de twee belangrijkste muzikale ideeën.
Structureel gezien bezit Pink City een vrij klassieke opbouw: het is een ‘ouverture’ in een quasi sonatevorm met een langzame inleiding en een uitdeinende coda. Het stuk doorloopt dertien - twaalf plus één - verschillende pedaalnoten en eindigt op precies hetzelfde akkoord waarmee de hoofdbeweging begint: Cis majeur-mineur, symbool voor een stofferige, levensloze aarde.
Introductie (Dutch), by Ernest Van Buynder, MuHKA
Robert Groslot, Computer Designed Paintings in het Cultureel Centrum van Bornem, 29 september 2004.
Dames en Heren,
We kennen allen Robert Groslot, geboren te Mechelen in 1951, als laureaat van de Koningin Elisabethwedstrijd piano 1978, als stichter en dirigent van het symfonisch orkest Il Novecento, als componist, en als docent piano en kamermuziek aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen. Als beeldend kunstenaar is hij een late roeping en een autodidact. Sinds 2001 creëert hij plastisch werk, dat hij zelf Computer Designed Paintings noemt, een nieuwe techniek, een nieuw visueel medium.
Ik heb altijd een zwak gehad voor dubbeltalenten. Voor een Hugo Claus, die naast een groot auteur een knap schilder is, die bij Cobra zijn leerschool heeft gehad. Voor een Jan Vanriet, een uitmuntend schilder, maar ook een goed dichter. Voor een Arnold Schönberg die in het passionele en broeierige Wenen van Egon Schiele, Gustav Klimt en Oskar Kokoschka de muziek op nieuwe sporen zette, maar ook de tekenstift hanteerde. Ik zou deze lijst kunnen verder zetten met Gershwin en eindigen bij Robert Groslot.
Prof. Marcel van Jole, kunstcriticus en zijn vroegere leraar in de kapel Koningin Elisabeth, heeft dit goed geduid in zijn artikel dat verschenen is in de mooie catalogus die werd uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling van Robert Groslot in de Belgische Ambassade in Berlijn, precies één jaar geleden. Ik citeer:
“Zonder enige ideologische of politieke leiding, slaagt hij erin een kruisbestuiving tussen muziek en visuele kunst op het spoor te plaatsen: als hij componeert, staan de beelden op de achtergrond, als hij beeldend werkt, begeleidt de muziek zijn creaties. Invloeden zo verschillend, maar die toch bevruchtend werken voor de globale organische concreetheid van het individu.
Hoe meer talenten je bezit, hoe rijker je bent, maar met die diversiteit moet je kunnen omgaan, zodat je noch de anderen, noch jezelf verraadt. Robert Groslot kan dat.
Hij ervaart, in zijn voortdurende confrontatie met de technologie, een vorm van Leonardo-achtige, artiest-wetenschapper-situatie, een nieuwe wedergeboorte.”
In diezelfde catalogus waaruit ik citeerde, verscheen een reflectief artikel van Yonah Foncé, mijn medewerker in het MuHKA. Wat kan ik nog toevoegen bij deze eminente kunstbeschouwingen? Misschien gewoonweg waarom ik deze kunstenaar apprecieer.
Ik heb ervaren dat Robert Groslot op een subtiele en bijzonder originele wijze de moderne stijlfiguur beoefent van de synesthesie, de verbinding van de verschillende zintuigsferen. De muziek en de beeldende kunst gaan bij hem perfect samen. Alle werken hebben in die richting specifieke kenmerken. Ik neem er lukraak enkele uit. In de serie Contrapunctus heeft hij geen definieerbaar onderwerp. Het zijn als het ware abstracte werken met figuren erin. Robert Groslot verklaart in een interview met Marcel van Jole in de reeds geciteerde catalogus het volgende:
“In de reeks van de twaalf Contrapunctus is er geen background, geen begeleiding, alleen lichamen, melodieën, door mekaar, contrapunt dus.
Deze tableaus bevatten geen statement, ze werken alleen zingevend door hun constructie.”
In datzelfde interview stelt hij ietwat later:
“Sommige tableaus zijn geïnspireerd door delen uit mijn composities. The Book of Games bv. of Thin Air zijn delen uit mijn werk The Great Globe, een compositie voor orkest, maar ook twee aparte tableaus. Omgekeerd ontdekte ik dat ik bij het componeren steeds innerlijke beelden heb gezien.”
Naast dit samenspel van zintuigen is er voor mij een tweede reden van appreciatie: het zuiver plastisch gebeuren. Het belangrijkste aan het oeuvre van Robert Groslot bestaat hierin dat hij motieven uit het verleden weet te verwerken op een manier die eminent hedendaags is, namelijk postmodern. Dit refereert aan het feit dat verschillende fragmenten en elementen met elkaar gecombineerd worden tot gehelen die geen intrinsieke logica bezitten volgens de klassieke kunsttheorie, doch eerder zweven in een onirisch vrijwel virtueel geheel. De term onirisch durf ik gebruiken omdat zijn werken als het ware op dromen betrekking hebben of van de aard zijn van dromen. Hij staat in sommige werken dicht bij het surrealisme van een Paul Delvaux: je hebt de architectuur, de naakte vrouwen, de aangeklede man, de vervreemding. Denk aan het reeds geciteerde Book of Games en aan La Constitution R. In andere werken zijn er referenties naar Georgio De Chirico: het haast lege plein en daarin enkele geïsoleerde figuren: l’Ombra del Faro geeft zo’n desolaat gevoel.
Het merkwaardige hierbij is trouwens dat de werken zelf steeds heel sterk aanwezig zijn door hun materiële présence. Het oeuvre van Groslot is gebaseerd op een aantal opposities, hoewel die eigenlijk geen echte tegenstellingen vormen: het unheimliche en het reële; de manipulatie en de zeer concrete aanwezigheid van het thema, de zeer gesofistikeerde techniek en vormgeving enerzijds en de odes aan het verleden anderzijds. Er zijn inderdaad die hommages aan de Italiaanse architectuur die mij als Italianofiel bijzonder bekoren. Er is Venetië, Murano, Pesaro, Montecatini. Er zijn de knipogen naar de kunstgeschiedenis, bv. de Hommage aan Renoir, en Hommage à M als een hommage aan Edouard Manet die in 1863 Le déjeuner sur l’herbe schilderde en met dit schilderij een totaal onconventionele beeldopvatting introduceerde, die vandaag Robert Groslot op zijn wijze interpreteert. Een van zijn laatste creaties “L’Isle Joyeuse” is dan weer een citaat naar het schitterende “Zondagmiddag op het Ile de la Grande Jatte” van Georges Seurat, voor wie net als bij Groslot het koloriet belangrijk was. Naar Seurat’s theorie moest het koloriet onderworpen zijn aan vaste regels en aangeleerd worden als muziek..
In zijn beste werken zijn meerdere interpretaties, meerdere lecturen mogelijk. Het zijn open kunstwerken in de volle betekenis van het begrip dat Umberto Eco hieraan gegeven heeft.
Het zal u misschien opgevallen zijn dat ik zeer weinig gesproken heb over de techniek. Om twee redenen. Vooreerst kan je dit beter zelf aan de kunstenaar vragen. Maar vooral vind ik die wijze waarop men tot een beeld komt niet zo belangrijk. Vandaag zijn in de beeldende kunst alle technieken aanvaard en als evenwaardig beschouwd: film, video, fotografie, installatie, body art, land art, staan op gelijke hoogte met de klassieke schilderkunst. Wel ben ik ervan overtuigd dat men zijn gekozen medium goed moet beheersen en gebruiken, wil men als kunstenaar blijvende kunstwerken creëren. Welnu, Robert Groslot weet zijn materie te beheersen. Hij is een knap fotograaf die daarna zijn eigen digitale beelden met behulp van de nieuwste computertechnieken tot autonome kunstwerken omvormt. Trouwens net als de traditionele schilder draagt Robert Groslot zorg voor de drager, en dat kan zijn:
Canvas dus doek, hoogwaardig aquarelpapier, polygloss in sommige werken gesatineerd.
Ik kom tot een besluit. Robert Groslot bewijst met deze expo dat hij inmiddels op een ernstige, doordachte maar toch spontane wijze, met behulp van zijn grote kennis en beheersing van de moderne grafische technieken een beeldend oeuvre heeft tot stand gebracht dat een niche vormt binnen de evolutie van de hedendaagse kunst. En dit werk staat niet stil. Steeds zoekt hij nieuwe uitdagingen, andere invalshoeken. Met kleuren en vormen componeert Robert Groslot odes aan het leven waarvan hij hartstochtelijk houdt.